Boothstraat 6 | Nicolaas Beets

Beluister de route via de player, ingesproken door Denise Jannah.

Boothstraat 6 is het woonhuis van Nicolaas Beets (1814-1903). Aan de gevel is een gedenksteen bevestigd ter ere van deze schrijver, dichter, hoogleraar, dominee en voorvechter voor de afschaffing van de slavernij. Beets werd geboren in Haarlem. Hij studeerde in Leiden, waar hij in 1839 promoveerde tot doctor in de theologie. Een jaar later werd hij tot predikant beroepen in zijn geboortestad Heemstede en trouwde hij met Aleida van Foreest.

<p>Portret van Beets als een jonge man. Geschilderd door P. Blommers</p>

Nicolaas Beets

Portret van Beets als een jonge man. Geschilderd door P. Blommers

<p>Nicolaas Beets (Haarlem, 13 september 1814 – Utrecht, 13 maart 1903), ook bekend onder het pseudoniem Hildebrand, was een Nederlands auteur, dichter, predikant en hoogleraar. Het schilderij toont Beets als hoogleraar te Utrecht.</p>

Nicolaas Beets

Nicolaas Beets (Haarlem, 13 september 1814 – Utrecht, 13 maart 1903), ook bekend onder het pseudoniem Hildebrand, was een Nederlands auteur, dichter, predikant en hoogleraar. Het schilderij toont Beets als hoogleraar te Utrecht.

<p>Het voormalige woonhuis van Nicolaas Beets, Boothstraat 6. Foto: Het Utrechts Archief</p>

Boothstraat 6, Utrecht

Het voormalige woonhuis van Nicolaas Beets, Boothstraat 6. Foto: Het Utrechts Archief

<p>Detailfoto van de herdenkingssteen voor Nicholaas Beets.Foto: Anna van Kooij.</p>

Boothstraat 6 Gevelsteen

Detailfoto van de herdenkingssteen voor Nicholaas Beets.Foto: Anna van Kooij.

Beets schreef als dominee natuurlijk preken, maar ook poëzie en proza. Zijn bekendste boek is De camera obscura uit 1839, dat hij onder het pseudoniem Hildebrand schreef. In 1854 werd Beets beroepen naar Utrecht. Hij was niet alleen als dominee werkzaam, maar ook was hij tien jaar hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht.

In Beets’ levensovertuiging was het werk van de Engelse parlementariër en leider van de anti-slavernijbeweging William Wilberforce (1759-1833) van grote invloed. Een marmeren borstbeeld van Wilberforce had zelfs een plaats in zijn studeerkamer gekregen. In de Domstad zette Beets zich samen met jonkheer van Weede van Dijkveld (zie: Maliebaan 18) en anderen in voor de afschaffing van de slavernij. Hij speelde een prominente rol in het Utrechtse comité van de Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij, die in 1842 was opgericht. Beets schreef hierover gedichten:

Een lied om bevrijding

Laat de ketens vallen! Breekt, verbreekt het juk!
Vrijheid is voor allen
Noodig tot geluk.
Menschelijke harten,
Die dien schat besluit,
Brengt hem ook den zwarten,
Stelt niet langer uit!

Laat de ketens vallen!
Breekt, verbreekt het juk!
Vrijheid is voor allen
Noodig tot geluk.

Beets schreef dit gedicht in 1853. In hetzelfde jaar verscheen nog een ander gedicht:

 

Nog een lied om bevrijding
Merkelijk korter dan het vorige

Och Neerlands machtigen en braven!
Verbreek ons juk;
Brengt, brengt uw arme negerslaven
Toch eindlijk, eindlijk uit den druk.
Wij zijn wel zwarten,
Maar hebben harten,
Zoo goed als gij.
En zoo uw harten beter zijn,
Verlost dan de onzen van de pijn!
Veel lijden wij.

In Nederland had de Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij enkele honderden volgelingen. In Engeland had de organisatie een massaal karakter: 400.000 burgers ondertekenden een petitie ten behoeve van de afschaffing van slavernij. De evangelische beweging onder leiding van William Wilberforce was de drijvende kracht achter het abolitionisme. Engeland schafte de slavernij in 1833 af, Frankrijk volgde in 1848.

Een oproep tot het geven van een financiële bijdrage voor de bevrijding van de Amerikaanse slaven naar aanleiding van een lezing gegeven door Beets.
Een oproep tot het geven van een financiële bijdrage voor de bevrijding van de Amerikaanse slaven naar aanleiding van een lezing gegeven door Beets.

In 1865 hield Beets een lezing getiteld ‘De bevrijding der slaven’ in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Utrecht, het huidige Utrechts conservatorium. Beets droeg vier argumenten aan voor de afschaffing van de slavernij, die typerend waren voor het gedachtengoed van de negentiende eeuw. Afschaffing van de slavernij was ten eerste een zaak van menslievendheid, ten tweede een zaak van beschaving, ten derde in de geest van het christendom en ten vierde passend aan de eisen van de tijd. Beets eindigde zijn rede met een oproep aan koning Willem III: ‘Ook het uwe, Sire! Hoor die stem’.

Nederland schafte de slavernij af op 1 juli 1863. Ironisch genoeg betekende dit niet dat de voormalige slaven daadwerkelijk hun vrijheid kregen. Na de afschaffing werd er nog tien jaar staatstoezicht op de koloniën gehouden. Gedurende die tijd waren de slaven gedwongen om op de plantages te blijven werken, ondanks dat ze formeel geen eigendom waren van een slavenhouder. Ze werden niet meer beschouwd als goederen, maar desondanks hadden zij geen vrijheid om te gaan en staan waar ze wilden.

In oktober 1863 nam Beets het voortouw voor het inzamelen van geld ter ondersteuning van vier miljoen recent vrijgemaakte slaven in Noord-Amerika. Op de affiche staan de namen van Beets, jonkheer Van Weede van Dijkveld en anderen. Op het intekenbiljet wordt gerefereerd aan de National Freedman’s Relief Association in Amerika, die de belangen van deze voormalige slaven behartigde (zie Maliebaan 18).

Beets overleed in 1903 op 88-jarige leeftijd aan een hersenbloeding.

Meer informatie

In de Vaderlandsche Letteroefeningen verscheen een eigentijdse literaire bespreking van een van de lezingen die hij gaf voor de Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Afschaffing van der Slavernij (opgericht 1842) onder de titel De Bevrijding der Slaven.

Over Beets zelf is natuurlijk het nodige te vinden op Wikipedia, maar ook bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL).

Meer informatie over William Wilberforce en het abolitionisme in Engeland is te vinden op Wikipedia.

Overigens ging de vergoeding richting de eigenaren van de slaven nog verder dan de 10 jaar tewerkstelling van de slaven. De Nederlandse staat kocht de plantagehouders en de aandeelhouders in deze bezittingen (en dit omvatte ook de slaven) uit tegen een vaste prijs van 300 gulden per slaaf. bron: Nationaal Archief