‘de Bevrijding der Slaven’

 

De Bevrijding der Slaven. Redevoering gehouden in openbare vergaderingen van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering van de Afschaffing der Slavernij, door Nicolaas Beets, Lid derzelve Maatschappij. [Uitgegeven Haarlem, Erven F. Bohn. 1856]

De man die deze redevoering uitsprak, wijdde daarmede de edelste gaven van geest en hart, met welke hij zóó overvloedig is toegerust, aan de edelste zaak. Hij stelde zijnen hoorders de slavenbevrijding voor ‘als eene zaak door de Menschlievendheid te recht gewenscht; door de Beschaving gevorderd; door den Geest des Christendoms bevolen; en in alle deze opzichten metterdaad, naar eene uitdrukking door de Staatscommissie in haar belangrijk verslag gebezigd, een “der strenge eischen van onzen tijd”.’ Hij deed dit met de hem eigen ware, onopgesmukte en bondige welsprekendheid, die, van verstand en gemoed uitgegaan, tot verstand en gemoed ingaat. Hoe gaarne leverden wij eene enkele proeve! Hetzij waar BEETS – niet willende ‘dat de afschuw, dat het vonnis van veroordeeling, die aan de slavernij als zoodanig toekomen, op hare hetzij dan noodzakelijke, hetzij toevallige gevolgen worden afgeleid’ – zijner tegenpartij zelf het wapen in de hand schijnt te geven, door het schijngeluk van den slaaf met de aanlokkelijkste kleuren tegenover het niet minder sterk geteekende drukkende lot van den vrijen werkman te schetsen, maar – om daarna dien werkman eene ruiling met den slaaf voor te slaan, en zich, ‘zoo die man een Man, zoo hij een Nederlander is’, smadelijk van hem afgewezen te zien. Hetzij waar hij betoogt: ‘God schiep het Negervolk; het slavenvolk is het maaksel van den mensch. Het Negervolk niet, maar het slavenvolk te beschaven, ziedaar de zedelijke onmogelijkheid.’ Hetzij waar hij den nadeeligen invloed der slavernij ook op de blanke slavenhouders aanwijst; of op Christelijk standpunt ons toeroept: ‘Het licht is over de gewetens opgegaan. De tijd der toelating is voorbij.’ Of, eindelijk, aan ’t slot die heerlijke spraakwending, eerst tot den Koning, daarna tot den Koning der Koningen … Maar wij willen den indruk van het hecht inééngesloten geheel niet bij den lezer verzwakken, door er hier de schoonste passages uit over te nemen. Een ieder koope en leze zelf! Wien deze rede niet tot overtuiging van de verfoeijelijkheid der slavernij brengt, en tot medewerking, zoo veel hij vermag, aan hare opheffing beweegt, die – mag op onverzettelijkheid bogen: ware ’t dan maar in iets beters!

Bespreking door V.P., in: Vaderlandsche Letteroefeningen, 1856, p. 470/1.